Fons De Maertelaere: "Wie wordt nu nog koster?"

organistdemaertelaere
Fons De Maertelaere werd geboren te Ertvelde op 11 april 1942. In de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart in Ertvelde was hij reeds als kleine jongen misdienaar of acoliet (Gr.: akoulouthos: hij die begeleidt, de dienaar). Alles om en rond het altaar fascineerde Fons. Het was toch wel bijzonder als je alleen maar met een doekje in je handen de 'vasa sacra' en het 'kelkdoekje' en het ‘corporale’ mocht aanraken. Toen de koster door omstandigheden afwezig was loste de pastoor het pragmatisch op: hij zegende de handen van zijn misdienaar met een kruisje in elke handpalm en het kostertje ad interim kon voor alles zorgen. En dat werd met eerbied en toewijding gedaan. En als misdienaar mocht hij voor begrafenissen een voormiddag afwezig zijn op school. Af en toe moesten we ook mee op ‘berechting’ (de ziekenzalving is dat nu).

Zijn middelbare studies Latijn - Grieks (1954-1961) deed Fons in de school van de Missionarissen van het Heilig Hart van Jezus in Asse. Hij was er, samen met Jaak Gabriëls (later politicus) en broeder Lenaerts, koster in de kloosterkapel. En hij had het mis-dienen zo in zijn vingers dat hij er tegelijkertijd diverse paters aan de zij-altaren bediende. Fons vindt het jammer dat hij tijdens zijn studies daar geen muziekschool kon volgen. Op het orgel spelen heeft hij 'al doende' moeten leren. Als 16-jarige moest hij op school af en toe een Mis begeleiden op het orgel. Drie wortels waren het tovermiddel om in de nachtmis in Walfergem als student met krakende stem het ‘Pueri concinite’ te zingen. Dit als een sopraantje, het derde jaar op rij. Prachtig kerstlied, maar toch zo hoog voor iemand van 15 jaar.

Na zijn humaniorastudies volgde Fons filosofie en theologie aan o.a. het Centrum voor Kerkelijke Studies (CKS) in Leuven.

Vanaf 1967 werd hij godsdienstleraar ad interim in de LNS van de Presentatie te Sint-Niklaas, daarna in het Gemeenschapsonderwijsonderwijs vanaf september 1968.

Samengevat : 10 jaar RMS Temse (1969-79), vanaf 1979 ongeveer 20 jaar RITO Noordlaan Sint-Niklaas, vanaf 1985 ook deels en daarna volledig in het Koninklijk Atheneum van Sint-Niklaas. Hij ging met pensioen in 2002.

Inmiddels was hij sinds 1971 organist in de Pastoor van Ars wijkkerk te Belsele, waar hij op vraag van collega Paul Verbeeck (RMS Temse) het wijkkoor begeleidde. Op voorstel van priester Manu Verhulst schreef Fons zich in voor de tweejarige kostersopleiding in de Bisschoppelijke Normaalschool. Zijn toelatingsproef bij leraar Jos Dhollander was het begeleiden van een adventslied op het orgel in de kapel van de Normaalschool. En in 1974 behaalde hij er het 'Diocesaan Diploma voor Kerkmuziek'. Het was de laatste kostersopleiding die in de Normaalschool werd georganiseerd.

Naast orgelspel en dirigeren was er in de opleiding ook een cursus liturgie, gegeven door pater Peter Dhaese, dominicaan, afgestudeerd als liturg en sinds 1970 secretaris was van de Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg (ICLZ). Wanneer men met kerkmuziek bezig is, vindt Fons het inderdaad belangrijk dat men de samenhang tussen tekst en muziek begrijpt, dat men iets weet over de ontstaansgeschiedenis, de tekstschrijver, de componist. Met achtergrondkennis zingt men een lied anders en beter. Wie een lied aanleert aan een koor of een kerk gelovigen moet daar tijd voor nemen. In die zin vindt Fons het spijtig dat je als organist enkel de man of vrouw bent die 'technische ondersteuning' biedt.

Op 1 januari 1985, na 14 jaar organist in de wijkkerk, nam Fons een engagement op in de MUCO-vereniging (Belgische Vereniging voor Strijd tegen Mucoviscidose) voor een periode van twee jaar.

Er volgde dan een stille periode om daarna vervangend organist te worden in tal van kerken en kapellen in Groot-Sint-Niklaas en in Tielrode. Vanaf 2006 (tot september 2007 ook  in Tielrode) is hij nog steeds de 'harmoniumspeler' bij de liturgische diensten in het woonzorgcentrum Heilig Hart te Sint-Niklaas.

Is koster-organist een uitstervend ras? Dat is de vraag die Fons De Maertelaere zich nu stelt. Lees het in volgende bijdrage.

Wie wordt nu nog koster?

Volgens WIKIPEDIA komt het woord ‘koster’ van het Latijn ‘custos’ of bewaker. In onze tijd zijn er nog een deel kosters maar in een modernere versie. De taakomschrijving van zo iemand in verschillende kerken van een parochie is niet direct benijdenswaardig. Hoe komt het toch dat mensen dit worden en doen in combinatie met organist zijn?

Voor mijzelf ging dit in een doorlopende lijn van misdienaar (daarom niet de braafste) naar zangertje, naar internaat, naar muziek en in de retorica koster van de collegekapel in Asse bij de paters Tijdens de gewone mis door pater overste of iemand anders moest een koster naar de sacristie bijna hollen om de achtereenvolgende celebranten aan hun zij-altaren van dienst te zijn als misdienaar. Zo werd voor ons (we waren met twee kosters) de Latijnse mis regelmatig onderbroken. Het was in die jaren 1954-1961 toch altijd dezelfde mis. We kunnen ons dat nog moeilijk voorstellen. Op het einde van de jaren ‘60 was er al wat variatie mogelijk. Zelfs in het begin was het een tweesporenbeleid: de priester las de gloria in het Latijn en de aanwezigen in het Nederlands. Soms gebeurde dit ook met lezingen. Het werd een soort kakofonie. Op deze vorm van liturgie kon niemand fier zijn. Het eerste document van het Tweede Vaticaans concilie handelde over de liturgie en volgens kenners of insiders zijn de doelstellingen ervan nog niet allemaal verwezenlijkt.

Voor mij bestond de grote wijziging in het feit dat de viering van de eucharistie een aangelegenheid was van SAMENVIEREN, een samenspel tussen voorganger en volk. Met nogal gemakkelijke liedjes heeft men dat willen onderstrepen. Wat ik hier neerpen is hoe mensen soms vieringen ervaren. Iedereen weet wel dat de viering van de sacramenten, ook van de eucharistie, veel meer is dan een vormgegeven. Daarom is het goed dat gebeden, lezingen, liederen, orgelspel, misschien ook de ruimte, allemaal elementen zijn die een fijne liturgie en geloofsviering helpen bevorderen.

Als kind kwamen we in de ban van een liturgisch gebeuren. We speelden dit na (zelfs kardinaal Danneels e.a. deden dat). We werden geraakt door iets of door moeder die ons vroeg meenam naar de kerk, en ons wees op een en ander dat we dan thuis probeerden na te spelen. Ik denk niet dat jonge mensen op deze manier nog geraakt worden om liturgisch medewerker te worden en daarmee een broodwinning op te bouwen. Ooit op een kostersdag van het bisdom Gent zat de jongste koster-organist (18 jaar?) in ons gezelschap.

Misschien is het dan toch zo dat mensen op een of andere manier uitgedaagd worden om mee te gaan in het liturgisch gebeuren, een verheven spel dat eerbied en genegenheid oproept en ook de drang naar kennis ervan. Deze uitdaging kwam meestal na een vraag van de parochiepriester of van de onderwijzer in de basisschool. Misschien van de vormselcatecheet of op vraag van de ouders. Of een vraag van het kind zelf aan de ouders om mee te doen aan het altaar. Gelukkig de parochie waarin kinderen samen met volwassenen de eucharistie mogen vieren en bij de verwelkoming telkens uitgenodigd worden om mee te doen. Verwelkomingsteksten moeten niet van een tekstblaadje afgelezen worden. Mensen van harte verwelkomen, kinderen (soms zijn er) van harte verwelkomen doet men niet vanuit een boek. De viering van de eucharistie is er voor iedereen. Er is niets op tegen dat kinderen in groep soms iets anders kunnen doen tijdens de woorddienst, maar laat ze maar meedoen.

Ik denk hier aan de parochie van Eddy Merckx indertijd: als de misdienaars hun vormsel hadden gekregen mochten ze muzikaal de zondagsviering begeleiden met alle mogelijke instrumenten (na de nodige repetities – iedereen wilde wel een band als ze 18 waren!) terwijl de mensen in het schip en de priester in zijn ruimte volop zongen. De melodieën waren vrij volks en eenvoudig maar met diepe woorden. Het waren geen Zingt-jubilate-liederen, maar een mooiere viering qua gebed, homilie, liturgie heb ik zelden meegemaakt. Daarom vind ik het echt belangrijk dat de voorbereiding van een liturgisch gebeuren geen zaak alleen is voor de celebrant. Vieringen worden gezongen door de gelovigen en niet alleen opgeluisterd door een koor, hoe voortreffelijk ook. Men heeft in de kerk nogal wat luiaards gekweekt in de liturgie, zeker bij uitvaarten. Het ‘In paradisum’ vervangen door ‘Je ne regrette rien’ vloekt met de betekenis van de overledene te laten binnenkomen in het nieuwe Jeruzalem. Het lied vertolkt de verwelkoming van de overledene bij de Heer en dit wordt gevraagd aan iedereen die als gelovige in de kerk de uitvaart meeviert. Al was het maar één lied dat de mensen meezongen, dan tenminste dit gebed. Het mag ook een ander lied zijn. Nu noemt men de liturgische dienst een afscheidsdienst. Ik hoop dat kinderen en kleinkinderen nog willen en durven ingaan op de wens van ouders en grootouders om met een kerkdienst begraven te worden. Dit is niet meer zo evident. Veel priesters en verantwoordelijken doen alle moeite om de liturgie van het afscheid nemen in goeie banen te leiden. Natuurlijk, vormen zijn allang veranderd. De essentie van deze uitvaartliturgie zeker niet.

Liturgie is het Leven - met een hoofdletter - vieren !

Koster-organist? Ja, een uitstervend ras!? Hopelijk niet.

Fons  De Maertelaere  - (koster-organist 1974) - 16.05.2020