Eindexamen regenten 1968

Sectie Nederlands-Engels

Economische wetenschappen

I Economie

A. Bespreek de economische kringloop in eenvoudige wiskundige gelijkenissen.

B. In welke mate is de bevolking belangrijk voor de economische ontwikkeling?

C. Leg de capaciteits- en het inkomenseffect uit van de investeringen.

D. Leg de economische zijn van het sparen uit.

E. Leg de multiplicator uit.

F. Wat verstaat ge door inflatie? Oorzaak en gevolgen.

G. Hoe gebeurt de prijsvorming in een vrije economie?

H. Wat verstaat ge door de ruilvoet? Leg het belang ervan uit.

I. Waarom veranderlijke of vaste wisselkoersen?

J. Beschrijf een conjunctuurverloop.

II Vernootschapsboekhouding

De beheerraad van de NV Handelscompagnie geeft volgende balans, waarvan men gaat liquideren.

Actief (1000): Waarborg 30- Bureelmeubelen 528-

debiteuren 2702- Te ontvangen commissies 556-

Fiscale zegels 6-  Bank 80- Postrekening 22-  Verlies 3150-

Passief: Kapitaal 5000-  Wettelijke reserve 500-

Reserve Dubieuze Debiteurs 116  Afschrijvingen 402  Crediteuren 1056

Gegevens van de liquidatie

- Huurwaarborg wordt terug ontvangen per bank.

- Bureelmeubels verkocht voor 100 000 F (op postrekening)

- men int de commissie

- fiscale zegels verkocht voor 5000 (bank)

- debiteuren betalen 2 598 000 (op bank)

- de postrekening wordt op de bankrekening overgeboekt

-- de creditreuren worden betaald per bankcheque

Boek alles.

III Fabrieksboekhouding

A. Journaliseer- Bereken de K F per eenheid en bepaal het resultaat.

Een fabriek met massaproductie. Op een bepaald ogenblik heeft men: fabricage D 800 000  Verkopen C  720 000

Maar:

- de waarde van de goederen in bewerking op het einde van de maand = 50 000 F

- er zijn 100 000 F bijproducten

- productie 6500 stuks

- 6000 stuks werden verkocht.

B. Boek volgende verrichtingen:

Een ondernemer heeft in de maand april 10 000 kg van een bepaald product vervaardigd.

Hiervoor waren nodig: 90 000 F grondstoffen - 8 000 F hulpmaterialen.

Er werd uitgegeven: lonen 15 000 -  sociale lasten 3 000 - bedrijfskosten: 10 000 - afschrijvingen op materiaal 4 000

Alles werd verkocht met 10% winst op de kostprijs.

Bereken de kostprijs - verkoopprijs - resultaat.