Frans Rombaut

Geboren te Sint-Niklaas op 23 mei 1892.

Hij behaalde het diploma van onderwijzer aan de Bisschoppelijke Normaalschool te Sint-Niklaas in 1911.

Hij was onderwijzer te Aalst van 1911 tot 1919.

In 1922 behaalde hij het bekwaamheidsdiploma voor het onderwijs in het turnen.

Hij was oefenschoolonderwijzer van 1919 tot 1921.

Op 30 september 1921 werd hij leraar Lichamelijke Opvoeding in de Bisschoppelijke Normaalschool tot zijn pensioen op 31.05.1942.

Hij werd opgevolgd door André Van de Walle.

Hij overleed in 1971.

In memoriam

           Mogen we in geest en hart

           de trouwe herinnering bewaren

           aan deze dierbare mens,

           wiens eerlijk godsgeloof,

           onverzettelijke vlaamsgezindheid

           en onkreukbare levensmoed

           een teken en een troost mogen zijn

           voor allen die hem blijvend gedenken

           in dank en diepe genegenheid.

Met deze gedachten heeft Ignace De Sutter de overledene te voeten uit getypeerd op de doodsherinnering.

We hadden het geluk en het voorrecht de heer Frans Rombaut als leraar en als mens gekend te hebben. De leerlingen heetten hem 'Kruim'. Heel kortweg! Maar betekenisvol! Een kruim van een mens was hij. Altijd opgeruimd, nooit kwetsend, voorbeeldig stipt: tekenen van de goede opvoeder. Hij leefde van en voor zijn leraarsambt: lichamelijke opvoeding. In zijn jongste studenten zag hij reeds de onderwijzer van morgen. Naast ons ligt een studenten book anno 1941! We zaten in het voorbereidend jaar van toen. We waren snaken van amper veertien jaar. En in dat schriftje vinden we ongeveer een twintigtal spelen, uitgetekend en beschreven. Want na elke les lichamelijke opvoeding volgt een spel, gericht naar de lagere school.

Voor hem was de normaalschool een pedagogisch seminarie. En uit de gesprekjes met zijn leerlingen kwamen telkens deze drie ideeën naar voren: goede onderwijzers worden, die onze eigen volksaard bewaarden en die diep christelijk waren. En wat ons dan vooral intrigeerde waren zijn onblusbare levensmoed en optimisme, zijn fijn mens zijn. Deze laatste eigenschap werd geïllustreerd door zijn verschijning. Neen, het was niet meer de tijd van de bolhoed. Maar toch droeg hij de stempel van zijn overtuiging.

Wij hebben hem als leraar één jaar gekend, maar we hebben hem dertig jaar regelmatig ontmoet.

Jarenlang wandelde hij door de Kasteelstraat om een van zijn goede vrienden te helpen. Altijd op hetzelfde uur: de stiptheid leefde in hem verder. Wellicht groette hij ons dan nog als zijn jongste leerling. Maar het deed ons deugd. Zoals het ons nog meer blij maakte toen we hem enkele jaren in de Club der Gepensioneerden van het C.O.V. op de bijeenkomsten konden verwelkomen. Daar ook werkte zijn optimisme en lach aanstekelijk op het hele gezelschap.

1942-1971 -  Negenentwintig jaar kon hij genieten van een rustig leven. Hij was nooit op rust, dat lag hem niet. Mooie tijd.

En toch heeft zijn overlijden iedereen verrast.

Zijn leven was niet vruchteloos: in zijn familie vond hij zijn eigen levensbeeld terug; ruim duizend onderwijzers hebben zijn opvoedersideeën in hun leven omgezet, voor de normaalschool blijft hij de voorbeeldige leraar.

Wij danken de Heer zo een mens ontmoet te hebben.

(Kasteelgalm, 23e jaargang, winter 1972)

 

 

{gotop}