Kan. Amaat Joos

EH Amaat Joos
 

Geboren te Hamme op 5 mei  1855.

Taalgeleerde en pedagoog.

Vanaf 24 september 1879 leraar te Ronse in het Sin-Antoniuscollege.

Vanaf 23 september 1880 leraar aan de Bisschoppelijke Normaalschool te Sint-Niklaas als leraar in muziek en 'Vlaamsche' en 'Fransche' taal.

Priester gewijd op 11 juni 1881.

Directeur van de Bisschoppelijke Normaalschool van 29 december 1892 tot 1915.

Behoorde in zijn studententijd in het Klein-Seminarie tot de leidende figuren van de Vlaamse actie.

Publiceerde veel, o.a. zijn 'Waas idioticon' dat hij opdroeg aan mgr. Stillemans, voormalig superior van het Klein-Seminarie in Sint-Niklaas.

Hij was een streng en gedisciplineerd man, die door zijn ijver een reputatie wist op te bouwen, ook buiten de Normaalschool. Hij was de man van tucht, zelfbeheersing en werkzaamheid.

Op 3 juli 1905 erekanunnik te Gent Sint-Baafs.

Op 29 november 1915 aangesteld als algemeen directeur van de Zusters Jozefienen te Gent.

Overleden te Gent op 15 augustus 1937.

A JoosE.H. Amaat Joos bij zijn viering van 35 jaar leraar en bestuurder van de Bisschoppelijke Normaalschool

In memoriam

In de nacht tussen 15 en 16 augustus overleed zacht in de Heer E.H. Kan. Amaat Joos, oud-bestuurder van de Bisschoppelijke Normaalschool. Honderden en honderden onderwijzers en kosters hebben hem gekend: gedurende 35 jaar was hij werkzaam in de Normaalschool. In 1880 werd hij tot professor benoemd, in 1892 tot bestuurder. Zijn gedachtenis blijve in ere.

Op 14 oktober 1937 werd in aanwezigheid van al de leerlingen een plechtige lijkdienst gecelebreerd in de kapel van de Normaalschool. 

Hieronder de lijkrede, uitgesproken door Kan. Jacobs, lid van de Koninklijke Vlaamse Academie.

Het past dat de Koninklijke Vlaamse Academie, die in haar zitting van mei 1935 terecht hulde gebracht heeft aan de verdiensten van haar tachtigjarig medelid, Kanunnik Amaat Joos, ook op dit ogenblik in 't openbaar haar gevoelens van bewondering en warme genegenheid uitspreekt.

Geboren te Hamme op 3 mei 1855, was onze achtbare collega en in levensjaren en als academielid de tweede oudste van onze Koninklijke Inrichting. Gesproten uit een echt Vlaamse stam, die nog immer door zijn overgeërfde deugd- en werkzaamheid uitblinkt, hielp Amaat Joos, na schitterende Humaniora te Sint-Niklaas gedaan te hebben, als wijsgeer en toekomstig priester, met Jac. Muyldermans, J. Bols, Fl. Spillemaeckers, Gustaaf Janssens, J. De Block, L. Lauwers e.a. de Bond 'De Jonge Taalvrienden' stichten, welke in de jaren 1874-1875 de katholieke Vlaamse studentenbeweging op de Schelde-, Nethe- en Rupelboorden in 't leven heeft geroepen. Waar deze baanbrekers ook hun ambt uitoefenden, overal waren zij, lijk zovele geestelijken uit de 17e en de 18e eeuw, nog meer met de pen dan met het woord de wekkers van het volk. Zij leverden opzienbare bijdragen in nieuwe bladen en tijdschriften of schreven opvoedende, hartverkwikkende boekjes ten gerieve van hun Vlaamse stamgenoten.

Nog jong seminarist werd Amaat op 24 september 1879 - 19 maand vóór zijn priesterlijke wijding - tot leraar benoemd aan 't College te Ronse, en een jaar nadien, op 23 september 1880, aan de Normaalschool te Sint-Niklaas. Hier wijdde hij in de eerste plaats zijn krachten aan het onderricht en de opvoeding van de normalisten. In het tijdschrift 'Het Katholiek Onderwijs' verschenen keer op keer van zijn hand 'Opgaande taal- en letterkundige lessen', ook stukken van zijn merkwaardige later verschenen 'Nederlandse Spraakkunst'. Maar daarnaast, te midden van de beslommeringen van het bestuur van de Normaalschool, dat hem op 29 december 1892 opgedragen werd, vond hij de tijd om over en voor zijn geliefd volk te schrijven. Uit de laatste 20 jaren van de vorige eeuw dagtekenen aldus enkele verhalen en beschrijvingen in een eenvoudige, pakkende taal opgesteld: 'Een Kranske uit de vroege Lente', 'Natuurverklarende Sprookjes', 'Een studentenreisje in de Antwerpsche Kempen', 'Vertelsels voor het Vlaamsche Volk', 'Raadsels voor het Vlaamsche Volk'.

De uitgave van het lijvig 'Waasch Idioticon' (1900), dat naar het advies onzer beste dialectologen, verre boven de woordenboeken van De Bo, Gezelle, Rutten, Scheurmans, Tuerlinckx uitsteekt, gaf aanleiding tot zijn benoeming op 19 juli 1900 tot briefwisselend lid der Academie. Nooit heeft onze collega, die om zijn vriendelijk, rechtschapen karakten al spoedig de genegenheid en de achting van zijn collega's gewonnen had, de verwachting van de Academie beschaamd. Men hoeft slechts de gedenkboeken te raadplegen, waarin de jubilerende Academie in 1911 en 1936 de werkzaamheden van haar leden samenvatte om met 'n zekere verbazing vast te stellen, welke werklust en werkkracht, wat al kennis en wetenschap hij als gewoon lid, als lid van de Commissie voor Onderwijs of van de Commissie voor Middelnederlandsche taal- en letterkunde tot aan zijn dood aan de dag heeft gelegd. Men vergete daarbij niet, dat hij van 1900 tot 1915 de Normaalschool van Sint-Niklaas tot een ongehoorde bloei heeft opgevoerd, en hij op 29 oktober 1915 geestelijke bestuurder van de Zusters Jozefienen, de bekende ziekenverpleegsters te Gent is geworden. Ik verzwijg hier zijn onverdroten bemoeiingen om vooral gedurende de oorlog het bestaan en het verblijf van de Zusters draaglijk te maken, maar moet toch de uitgave vermelden van zijn 'Gemakkelijke Meditaties' voor Zusters Ziekendiensters, die hij in een bevattelijke taal voor het gebruik van buitenshuis vertoevende zusters liet afdrukken.

Welnu, die onderlegde pedagoog, die kranige schoolbestuurder, die heilige priester, was immer in de Academie een voorbeeld van stiptheid en verbazende werkkracht. Natuurlijk ging zijn voorliefde naar de studie van al wat het goede Vlaamse volk kenmerkt of groter maken kan. Trouwens er loopt een vaste lijn door het lange, zo wel gevulde leven van onze afgestorven vriend. Hij beminde zijn volk, hij stond in de dienst van dat volk; hij wilde het gaaf en voornaam, groot en machtig, ontwikkeld en godsdienstig. Dat was het levensprogramma van die edele, karaktervolle man, die tevens een man was van de daad.

Hij wou alhier een beter onderwijs: en daarom stelde hij, ervaren pedagoog, in een lezing aan de schoolbesturen voor zoveel mogelijk leerkrachten uit het milieu zelf, uit de gemeente te benoemen. Meer dan eens drong hij in zijn Voordrachten aan op de verlichting van het overladen leerprogramma van de normaalschool. Hij vroeg in het Lager Onderwijs een ruimer aandeel voor het individueel onderricht. Hij pleitte voor een keurige, beschaafde uitspraak en menigvuldige spreekoefeningen.

Hij wou de studenten bekwamen tot knappe schrijvers: en daarom vestigde hij de aandacht op het nut van een rijke, wel bestuurde boekerij, op de muzikale zinstoon, op de dynamische klemtoon en op het licht in de beeldspraak. Tot zesmaal toe sprak hij op de Academie over de Gevoelstaal, zoals die zich in de volkstaal voordoet. Hij toonde hoe deze de algemene letterkundige taal kan verrijken en verfrissen. Hij handelde over rhythmus en stafrijm bij onze beste dichters die men op de normaalschool moet leren genieten. Hij vergde van de onderwijzers en de leraars een strenge, doch immer aanmoedigende verbetering van de opstellen en wees de leerkrachten naar de gave Vlaamsche volkstaal als naar een uitputbare bron, die de stijve, versteende boekentaal lenig en levendig helpt maken.

Hij wou de taalgelijkheid in feite: uit naam van de Academie schreef hij met zijn vriend G. Segers aan de Heer Minister van Onderwijs om de ondergeschikte toestand aan te klagen, waarin de Vlaamse kandidaat-inspecteurs zich in 1912 nog bevonden tegenover de Waalse. Het onderwijs door het Frans hiet hij een ketterij, en bewees in een klemmend betoog de doelmatigheid van het onderricht door middel van de moedertaal.

Hij wou uiteindelijk het gezond verstand, de vaardigheden van het Vlaamse volk, de verdiensten van onze beste letterkundigen door het nageslacht beter doen waarderen: en hij schreef zijn boek 'Levenswijsheid en Menschenkennis', een merkwaardig artikel 'over den dichtzin van het volk', de 'Verzameling': 'Folklore in Vlaanderen', en de heerlijke 'levensschetsen van Guido Gezelle en Alfons Janssens'. Wij zwijgen hier nog over een dozijn verslagen, die hij uitbracht over ingezonden, vaak ingewikkelde verhandelingen.

Pas twee maand geleden verzette hij zich, als Vlaming, nog hardnekkig tegen de onvoorwaardelijke bekroning van een lijvig doch onvolledig handschrift.

Geen wonder dat de hoogste onderscheidingen die man te beurt vielen. In 1905 tot erekanunnik van Sint-Baafs bevorderd; in 1908 tot lid benoemd van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, werd hij in 1914 tot bestuurder van de Academie aangesteld, en vervulde hij dit ambt - enig feit in de geschiedenis van de Academie - gedurende zes beroerde jaren. Toen zagen we de trouwe vaderlander fier en waardig het hoofd bieden aan de vreemde, onrechtvaardige indringer, en na de oorlog in tijden van verwarring al zijn invloed gebruiken om onvoorzichtige collega's recht te laten wedervaren. In oktober 1936 heeft Zijne Majesteit de Koning hem tot groot officier in de Leopoldsorde verheven. Op zondag, 15 augustus, feestdag van O.L. Vrouw Hemelvaart, heeft de Koning der koningen zijn trouwe dienaar bezocht, en hem, we verhopen het, met de onvergankelijke kroon der gelukzaligen vereerd.

Dit te weten, diepbeproefde familieleden, die in hem een verkleefde broeder, een wijze raadsman verliest, is voor u een troost. Met welbehagen ziet hij thans op u neder, op u, broeder, vader van een kroostrijk gezin, strijdend voorman, rasechte Vlaming, op u, neven en nichten, die even als hij rechte wegen bewandelt, en hetzelfde Vlaams dichterlijk ideaal nastreeft.

Zijn geestelijk testament, heeft hij u stervend veropenbaard: "Als 't God belieft," zegde hij, "wil ik nog enige jaren leven: er blijft nog zoveel te doen". Zulke taal past voorwaar in de mond van de man die we allen om zijn minzaam, edelmoedig karakter hebben hooggeschat. Waarde vriend, anderen dan gij in de bloei hunner jaren zullen uit dankbaarheid uw laatste wil in vervulling doen gaan. En gij, leef gelukkig: tot wederziens bij de Heer!

(Kan. Jacobs in 'Bulletin', verslag 1937-38)

 

{gotop}